12 juni 2026
De juiste datacenterstorageoplossing voor een co-locatieomgeving hangt af van drie factoren: je workload, je schaalbaarheidsbehoeften en de mate van controle die je wilt houden over je eigen hardware. Voor de meeste co-locatieklanten is een combinatie van SAN-opslag voor prestatie-intensieve applicaties en NAS voor gedeelde bestandsopslag de meest praktische keuze. Heb je hoge IOPS-vereisten, dan kom je al snel uit bij all-flash arrays. Draait het vooral om capaciteit en kosten, dan zijn hybride storage of object storage interessanter.
Co-locatie lijkt eenvoudig: je huurt ruimte, stroom en connectiviteit, en regelt de hardware zelf. Maar juist die hardwarevrijheid leidt regelmatig tot problemen. Organisaties schaffen storage aan die prima werkt in een kantooromgeving, maar onder de constante belasting van een datacenter snel tekortschiet in IOPS, latency of betrouwbaarheid. Het gevolg: trage applicaties, gefrustreerde gebruikers en onverwachte vervanging van hardware die nog niet is afgeschreven. De oplossing zit in het vooraf goed definiëren van je workloadprofiel en het kiezen van storage die daar specifiek op is gebouwd, niet op gemiddeld gebruik.
Storagecapaciteit toevoegen in een co-locatieomgeving klinkt eenvoudig, maar in de praktijk botst het snel op beperkingen: volle racks, beperkte stroombudgetten per rack en de noodzaak om nieuwe hardware te integreren zonder bestaande systemen te verstoren. Bovendien zijn de storageprijzen de afgelopen jaren sterk gestegen door schaarste en grote inkopers die hele productieseries opkopen. Wie nu al rekening houdt met toekomstige groei en kiest voor modulaire, schaalbare storagearchitecturen, bespaart zichzelf later een aanzienlijke hoeveelheid hoofdpijn en kosten. Denk aan systemen met uitbreidbare schijfbays, ondersteuning voor schijven met hogere capaciteit en flexibele RAID-configuraties.
Een co-locatieomgeving is een datacentermodel waarbij je je eigen servers en storage plaatst in een extern datacenter. Je huurt fysieke ruimte, stroomvoorziening en netwerkconnectiviteit, maar de hardware is van jou. De storagevereisten in co-locatie draaien om hoge beschikbaarheid, betrouwbare hardware, lage latency en efficiënt gebruik van ruimte en stroom.
Omdat je in co-locatie zelf verantwoordelijk bent voor je hardware, zijn de eisen aan datacenterstorage strenger dan in een typische kantooromgeving. De storage moet 24/7 draaien onder constante belasting, redundantie bieden bij schijfuitval en goed passen binnen de ruimte en het stroombudget van je rack.
Daarnaast speelt connectiviteit een grote rol. In co-locatie wil je storage die goed aansluit op je netwerk, of dat nu via Ethernet, Fibre Channel of InfiniBand is. De keuze hangt af van de afstanden binnen het datacenter en de latency-eisen van je applicaties.
De drie hoofdtypen datacenterstorage zijn Direct Attached Storage (DAS), Network Attached Storage (NAS) en Storage Area Networks (SAN). Daarnaast bestaat object storage, dat steeds vaker wordt ingezet voor grote hoeveelheden ongestructureerde data. Elk type heeft een specifiek gebruik en een andere prijs-prestatieverhouding.
In co-locatieomgevingen zie je vaak een combinatie van deze typen, afhankelijk van de workloads die je draait. Een virtualisatieplatform vraagt om SAN, terwijl een back-upinfrastructuur prima werkt op NAS of object storage.
Het belangrijkste verschil is hoe data wordt aangeboden: NAS werkt op bestandsniveau via een standaard netwerk, SAN werkt op blokniveau via een dedicated storagenetwerk. SAN biedt lagere latency en hogere IOPS; NAS is eenvoudiger te beheren en goedkoper in aanschaf.
In een co-locatieomgeving kies je voor SAN als je applicaties draait die lage latency vereisen, zoals databases, ERP-systemen of VMware-clusters. SAN vereist wel een aparte netwerkinfrastructuur, meestal via Fibre Channel of iSCSI, wat de complexiteit en kosten verhoogt.
NAS is de betere keuze als je bestanden wilt delen tussen meerdere servers, back-ups wilt centraliseren of een eenvoudige opslagarchitectuur wilt zonder aparte storageswitches. NAS schaalt ook gemakkelijker op in capaciteit zonder grote infrastructuurwijzigingen.
Voor co-locatieklanten die zowel prestatie-intensieve als capaciteitsgerichte workloads draaien, is een hybride aanpak gebruikelijk: SAN voor primaire applicaties, NAS voor secundaire opslag en back-ups.
De juiste storagekeuze hangt af van vier workloadkenmerken: het type data (bestanden, blokken of objecten), de vereiste IOPS en latency, de totale capaciteitsbehoefte en de mate van groei die je verwacht. Elke combinatie wijst naar een ander type storage.
Weet je niet zeker welk profiel je workload heeft, dan is het nuttig om eerst een baseline te meten van je huidige IOPS, latency en capaciteitsverbruik. Die data biedt een veel betere basis voor een storagekeuze dan een ruwe schatting.
Je kiest de juiste storagehardware voor co-locatie door te beginnen bij je workloadprofiel, vervolgens je schaalbaarheidsbehoeften te definiëren en daarna te toetsen of de hardware past binnen de ruimte, stroom en koeling van je rack. Specificaties als IOPS, latency, schijftype en interfaceprotocol zijn de technische selectiecriteria.
Let ook op de totale eigendomskosten. De aanschafprijs van storage is maar een deel van het verhaal. Stroomverbruik, koelingskosten en beheersinspanning tellen allemaal mee over de levensduur van het systeem.
De meest voorkomende fouten zijn onderschatting van IOPS-vereisten, te weinig aandacht voor redundantie en het ontbreken van een duidelijk groeiplan. Organisaties kopen storage op basis van capaciteit, terwijl prestaties de bottleneck blijken. Of ze kopen goedkope hardware zonder dual controller, waarna één defect de hele omgeving platlegt.
Een andere veelgemaakte fout is het negeren van de stroomkosten. Storagehardware met een hoog stroomverbruik kan in een co-locatieomgeving snel duur worden, zeker als je per kilowatt betaalt. Energiezuinige hardware verdient zichzelf terug over de looptijd van het contract.
Verder zien we regelmatig dat organisaties geen rekening houden met de netwerkinfrastructuur. Storage die op papier prachtig presteert, maar is aangesloten op een overbelaste netwerkswitch, levert in de praktijk tegenvallende resultaten. De storagearchitectuur en de netwerkarchitectuur moeten samen worden ontworpen, niet los van elkaar.
Tot slot: geen testfase. Wie storage in productie neemt zonder eerst de IOPS, latency en het failovergedrag te testen, loopt het risico problemen pas te ontdekken wanneer het er echt toe doet.
Bij NCS International helpen wij je om precies die datacenterstorageoplossing te kiezen die past bij jouw co-locatieomgeving, je workload en je groeiambities. Met 38 jaar Supermicro-expertise configureren wij elk systeem volledig op maat en zijn wij de enige Supermicro-distributeur in Nederland met 24/7 on-site garantieservice. Wil je weten welke opties er voor jou zijn? Bekijk onze storageoplossingen of neem direct contact met ons op.
Je kunt IOPS en latency meten met tools zoals iostat (Linux), Performance Monitor (Windows) of platformspecifieke tools zoals VMware vCenter voor gevirtualiseerde omgevingen. Meet bij voorkeur gedurende meerdere dagen inclusief piekbelasting, zodat je een realistisch beeld krijgt en niet alleen een gemiddelde. Op basis van die baseline kun je een storagekeuze maken die ook onder piekbelasting stabiel presteert, in plaats van te rekenen met een ruwe schatting die je later duur kan komen te staan.
All-flash storage gebruikt uitsluitend SSD's (NVMe of SAS-SSD) en levert maximale IOPS met minimale latency, maar tegen hogere aanschafkosten per terabyte. Hybride storage combineert SSD's als cache-laag met HDD's voor capaciteitsopslag, wat een goede prijs-prestatieverhouding biedt voor workloads met gemengde toegangspatronen. Kies all-flash als je applicaties latencygevoelig zijn, zoals databases of ERP-systemen; kies hybride als je vooral grote hoeveelheden data opslaat met minder strikte latency-eisen, zoals back-ups of archieven.
Dat is technisch soms mogelijk, maar in de meeste gevallen niet verstandig. Kantoorhardware is ontworpen voor intermitterend gebruik en is niet gecertificeerd voor 24/7 datacenterbelasting, wat leidt tot verhoogde uitvalskansen en hogere kans op dataverlies. Bovendien mist kantoorhardware vaak essentiële datacenterfeatures zoals dual controllers, hot-swap schijfbays en enterprise-grade firmware. Het risico op onverwachte uitval en de bijbehorende kosten wegen vrijwel altijd zwaarder dan de besparing op nieuwe hardware.
Begin met het opvragen van de TDP (Thermal Design Power) of het maximale stroomverbruik in watt van de storage die je overweegt, en tel dit op bij het verbruik van je servers en netwerkapparatuur. De meeste co-locatieproviders hanteren een stroomlimiet per rack van doorgaans 3 tot 10 kW, afhankelijk van het type rack en de koelingsinfrastructuur. Kies bij twijfel voor energiezuinige storage met een gunstige IOPS-per-watt-verhouding, zoals moderne NVMe-systemen, die ondanks hoge prestaties relatief weinig stroom verbruiken ten opzichte van oudere SAS-arrays.
Voor een SAN via Fibre Channel heb je dedicated FC-switches nodig en HBA's (Host Bus Adapters) in je servers, wat een aparte netwerklaag vereist naast je reguliere Ethernet-infrastructuur. Als je kiest voor iSCSI-SAN, kun je dat over bestaand Ethernet laten lopen, maar dan is het essentieel om dedicated VLAN's en bij voorkeur een apart fysiek netwerk te gebruiken om storagevertraging door ander netwerkverkeer te voorkomen. Zorg er ook voor dat je co-locatieprovider voldoende patchpaneel- en switchcapaciteit biedt voor de extra bekabeling die een SAN-omgeving met zich meebrengt.
Gebruik benchmarktools zoals FIO (Flexible I/O Tester) of IOMeter om de IOPS, sequentiële leesbandbreedtes en latency onder gesimuleerde productiebelasting te meten en te vergelijken met de specificaties van de fabrikant. Test daarnaast het failovergedrag door handmatig een controller of schijf uit te schakelen en te controleren of de omgeving zonder dataverlies en met acceptabele downtime herstelt. Voer deze tests uit in een geïsoleerde testomgeving of tijdens een gepland onderhoudsvenster, zodat eventuele problemen geen impact hebben op productiesystemen.
Object storage schaalt horizontaal naar petabytes zonder de architectuur te hoeven herbouwen, terwijl traditionele NAS-systemen bij grote schaal al snel tegen limieten aanlopen in naamruimte, bestandsaantallen en beheerscomplexiteit. Daarnaast biedt object storage ingebouwde geo-redundantie en dataprotectie via erasure coding, wat het een robuuste keuze maakt voor langetermijnopslag van back-ups, mediabestanden en logdata. Het nadeel is dat object storage niet geschikt is voor applicaties die directe bestandstoegang verwachten via NFS of SMB; daarvoor blijft NAS de juiste keuze.
Den Sliem 89
7141 JG Groenlo
The Netherlands
+31 544 470 000
info@ncs.nl
GPU-servers verwerken duizenden berekeningen parallel — ontdek wanneer ze onmisbaar zijn voor jouw organisatie.
Wat is een AI-server en wanneer heb je er een nodig? Ontdek de techniek, hardware en toepassingen.